|
Cicero
|
 |
« Yanıtla #5 : 28 Eki, 2007, 00:41:04 » |
|
t-Joost-ten-Node - “Brussel is België in het klein. Wij hebben hetzelfde overheidssysteem, dezelfde problemen. Maar dan wel in een geconcentreerde vorm: de onenigheid tussen Nederlands- en Franstaligen, de strijd tussen rijk en arm, een hoog werkloosheidspercentage, het pluriculturalisme. Als we er op federaal niveau iets van willen bakken, dan moeten we absoluut hier beginnen, want Brussel is het hart van de Belgische staat. Van de term sociologisch laboratorium hou ik niet. Die geeft me een beetje het gevoel dat we muizen zijn, geen mensen. Brusselaars zijn ook een beetje gefrustreerd: we hebben niet genoeg financiële middelen om een volwaardige hoofdstad te zijn. Niet van België, niet van Europa.” De journalist Mehmet Koksal (27) is gespecialiseerd in politiek en in minderheden in de samenleving.
Zijn naam mag dan Turks zijn, de ziel van Mehmet Koksal is Brussels. Geboren in Sint-Pieter, gepokt en gemazeld in Sint-Joost. “Mijn grootvader, die ook Mehmet Koksal heet en een beetje verderop in de straat woont, is in het begin van de jaren zestig naar België gekomen. Wij hebben een hechte band, met hem is het tenslotte allemaal begonnen.”
“Ik heb me in mijn jeugd heel goed geamuseerd, maar ik heb niets cadeau gekregen. Mijn ouders zijn gescheiden toen ik twee was. Een harde scheiding, met als resultaat dat ik zowat elke Franstalige school van het gewest vanbinnen gezien moet hebben: mijn moeder plaatste me in de ene school, mijn vader in de andere, een spelletje zonder einde. Op een bepaald ogenblik volgde ik zelfs les in twee scholen tegelijk. Ik dacht: ik heb mijn ouders niet gekozen, ik heb er niet voor gekozen in België te wonen. Wat ga ik doen? Ik begreep dat ik mijn eigen weg moest banen en ik besloot goed te studeren. Werken deed ik ook al, van kleins af. Mijn moeder was alleen, ze had twee jonge monden te voeden, er moest geld binnenkomen. Zo kwam het dat ik al op mijn twaalfde achter de toonbank stond van de kruidenierszaak die mijn ooms in Anderlecht uitbaatten. Geen baantje was me te min, ik besefte maar al te best waar ik voor stond.”
“Toen ik mijn diploma hoger middelbaar behaalde, was ik fier. Omdat indertijd heel weinig allochtone jongere hun middelbare school afmaakten. Ik dacht: wat weet ik toch veel, wat ben ik toch slim! Maar dan kwam ik aan de ULB, in de richting Journalistiek en Communicatie, en toen besefte ik plots: ik weet niets! Aan de ULB ging een hele wereld voor mij open. Na vier jaar, met eindelijk mijn diploma op zak, zei ik: nu weet ik niets, al mijn zekerheden zijn ondermijnd. Nu ga ik proberen meer te weten te komen. Door interviews af te nemen, door mensen te ontmoeten. Doorgronden, ook, wat leven in Brussel precies inhoudt. We zijn met tien uit het middelbaar gekomen, twee van ons zijn naar de universiteit gegaan. Ik ben de enige die heeft doorgebeten. Spijtig.”
Voetballen in het Nederlands Zijn moedertaal is Frans, maar Koksal vertelt het me allemaal in het Nederlands. Tussen twee happen van een lekkere kebab door.
“Zo’n acht jaar geleden zijn de allochtonen anders beginnen te redeneren: ‘Mijn zoon haalt misschien de universiteit niet, maar als hij naar een Nederlandstalige school gaat in plaats van naar een Franstalige, dan zal hij ten minste toch tweetalig zijn, Frans en Nederlands.’ Dat was goed gezien, dat levert nu resultaat op. Het kan ook heel nuttig zijn, aangezien er steeds meer Vlamingen Engels als tweede taal hebben en het Frans verwaarlozen.”
“Ik heb mijn Nederlands geleerd door enkele jaren te voetballen bij Moorsel. Ik wilde niet bij een Brusselse vereniging spelen, omdat de meeste Franstalig zijn, ik wilde per se bij een Vlaamse ploeg om mijn kennis van het Nederlands op te krikken.”
“Ik kon nogal goed uit de voeten met de bal, wat het makkelijker maakte om een beetje aanvaard te worden. En toen ik ook nog eens Nederlands begon te spreken, was ik helemaal goedgekeurd. Ze zeiden me: ‘Mehmet, jij bent een goeie, als alle vreemdelingen maar zouden zijn zoals jij.’ Ze dachten me daarmee een compliment te maken, maar eigenlijk was het beledigend. Het zou hetzelfde zijn als tegen jou zeggen: ‘Karel, jij bent een goede Belg, maar wel een uitzondering in je gemeenschap.’”
“Ik ben er al lang van overtuigd dat de taal leren van de plek waar je woont, het eerste is wat je moet doen. Ik ben er voorstander van allochtonen te verplichten de twee talen van het land te leren. Maar hoe kunnen ministers op federaal niveau die zelf niet tweetalig zijn, het morele gezag opeisen om dat af te dwingen? Nog erger: volgens de Vlaamse pers spreekt koningin Paola slecht Nederlands. Dat is een schande; ze is niet de koningin van de Belgen, ze is alles welbeschouwd de koningin van de Franstaligen. Als ik mijn moeder verwijt dat ze geen Nederlands spreekt, dan zegt ze: ‘De koningin ook niet.’”
Vloeiend Frans en behoorlijk Nederlands dus. Maar ook nog eens Engels, Turks en... Russisch. “Russisch heb ik ter plekke geleerd, in Sint-Petersburg, waar ik een jaar als beursstudent heb verbleven.”
Voorbeeldstad Québec Koksal is net terug uit Québec, Montreal. Op uitnodiging van het Agence Québec/Wallonie-Bruxelles pour la Jeunesse en van de MRAX-BRAX (Beweging tegen Rassenhaat, Antisemitisme en Xenofobie) heeft hij er de Week tegen het Racisme bijgewoond. “Ik heb er een fantastische tijd gehad en ik heb dagelijks verslag uitgebracht. Spijtig dat zo’n initiatief hier niet bestaat: extreem-rechts en fundamentalisme zijn problemen in België waar je echt niet omheen kunt. Toen we over ons leven in Brussel vertelden, trokken de Canadezen zulke ogen. De hetze rond het dragen van hoofddoeken door islamitische meisjes op school bijvoorbeeld: ze begrepen niet dat wij, allochtone Belgen, zo’n behandeling tolereren. Voor hen is dat racisme, strijdig met de vrijheid van godsdienst.”
“Diversiteit is heilig in Québec. Oproepen tot racisme, beledigende opmerkingen maken over een andere bevolkingsgroep, minderheden als zondebok met de vinger wijzen, dat is daar uitdrukkelijk verboden. Wie zich ertoe laat verleiden, wordt onmiddellijk van alle kanten de grond in geboord. Een heel goed voorbeeld is wat de toenmalige eerste minister aan het eind van de jaren negentig is overkomen. Na een referendum, waarin de bevolking zich had uitgesproken tegen de afscheuring van Canada, zei de premier: ‘We hebben verloren door de minderheden en het groot kapitaal.’ Enkele dagen later heeft hij gedwongen ontslag genomen. Hier in Brussel kun je ongestraft zeggen: ‘De genocide in Armenië heeft nooit plaatsgehad.’ Er zijn mensen aan het bewind die ongestraft mogen uitbazuinen dat de islam gelijk staat met gevaar. Dat de integratie een regelrechte mislukking is.”
“Montreal is een goed voorbeeld, want het vertoont veel gelijkenissen met Brussel. Het is een grootstad – zowat twee miljoen inwoners –, het is een tweetalige stad – Frans en Engels –, en Frans is er de taal van de meerderheid. Brussel kan bovendien heel veel leren van Montreal. De gelijke toegang tot werk bijvoorbeeld. Hoe meer divers de personeelsbezetting in de publieke diensten is, hoe beter de dienstverlening, redeneren ze daar. Hier zijn ze nog aan het discussiëren of er over deze kwestie een discussie in het Brussels Parlement mogelijk is. Daar is het al een realiteit, het systeem functioneert er al tien jaar uitstekend. Dat is iets wat ze hier in Brussel niet willen snappen.”
“Het systeem is misschien niet perfect, maar de resultaten zijn uitstekend. Hier, bij ons, zijn de openbare diensten gedomineerd door katholieke blanken. En dat in een stad die voor bijna vijftig procent door vreemdelingen wordt bevolkt, waar wel honderd nationaliteiten leven. Alleen in het parlement is er diversiteit, nergens anders. Niet bij de brandweer, niet bij de politie, wat ze ook mogen beweren. Als zelfs de federale minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, Christian Dupont, geen diversiteit in zijn administratie heeft, hoe wil je dan dat de werkgevers allochtonen aanwerven?” “Er zijn ook te veel politici in Brussel. Om het met een boutade te zeggen: er zijn hier meer politici dan gewone mensen. We hebben 89 vertegenwoordigers in het Brussels Parlement en ongeveer zeshonderd gemeenteraadsleden. Alsjeblieft toch. In Montreal, dat bijna dubbel zoveel inwoners telt, zijn er maar 107 gemeenteraadsleden. In Toronto, met zijn 2,5 miljoen inwoners, nog minder, een vijftigtal.”
Hé Mohammed! Koksal werkt freelance als correspondent voor België voor Courrier international, een Frans weekblad met ongeveer drie miljoen lezers. Voorts publiceert hij artikels over minderheden op websites, onder meer op minorites.org, suffrage-universel.be, diaspora.be, publiceert hij in Brusselse bladen als L’agenda interculturel en schrijft hij hier en daar opiniestukken. Dat doet hij allemaal vanuit zijn eigenheid, en die eigenheid is Brussels.
“Ik ben geen importproduct, ik ben geen exportproduct. Ik ben geen Vlaming, ik, ben geen Waal. Ik ben een Brusselaar. Ik hou van mijn leven, omdat ik schrijf wat ik wil. Waar ik dan weer niet van hou, is dat mensen die me niet kennen, me tutoyeren. Het getuigt van een gebrek aan respect. Net zoals een allochtone politicus met zijn voornaam aanspreken, waar blanke politici met ‘meneer’ of ‘mevrouw’ worden aangesproken. In een restaurant hoor je blanken meer dan eens zeggen: ‘Hé Mohammed, wat heb je vandaag als voorgerecht?’ Niet ‘garçon’ of ‘patron’. Als ik in Brugge ga eten, dan zeg ik toch ook niet: ‘Hé Fred, wat heb jij vandaag als voorgerecht?’ Het paternalisme gaat altijd in één richting. Onaanvaardbaar is dat. Ik ben maar Mehmet, maar ik vraag wel respect.”
Overal een minderheid “Ik ben gespecialiseerd in politiek – vooral in allochtone politici in België en meer bepaald in Brussel – én in minderheden. Ik volg alle minderheden in België, en ook als ik in het buitenland ben, probeer ik iets rond minderheden te doen. Ik kan daarbij schrijven uit ervaring, ik weet wat het is een minderheid te zijn, ik voel me in elke configuratie een minderheid. In Europa ben ik een minderheid als Belg. In België ben ik een minderheid als Franstalige. In Brussel ben ik een minderheid als allochtoon. In de allochtone gemeenschap ben ik een minderheid als Turk. In de Turkse gemeenschap ben ik een minderheid als niet-gelovige. Het is ook wel een pluspunt voor mij, omdat minderheden beter gewapend zijn om de realiteit het hoofd te bieden, omdat we overlevers zijn.”
“Als Brusselaar ben ik ook erg begaan met de Brusselse identiteit. En die bestaat wel degelijk. Als Tony Mary zegt dat Brussel de meest kosmopolitische stad ter wereld is, dan ben ik het met hem eens. Maar tegelijkertijd leven al die gemeenschappen naast elkaar en niet met elkaar. Ze praten niet met elkaar, ze kennen elkaar niet. Brussel is ook het archetype van de verdraagzaamheid, het gewest waar je als burger het meeste macht hebt. We kunnen allemaal onze stem kwijt in een van de talloze commissies. Maar tegelijkertijd wordt de stad vergiftigd door het taalconflict tussen Vlamingen en Franstaligen, iets wat de minderheden helemaal niet interesseert.”
“De politici die voorop lopen in de taalstrijd, hebben geen oog voor de minderheden; die zijn voor hen maar een randverschijnsel. Het enige wat hen interesseert, is: hoe kan ik de andere een hak zetten? Ze vegen hun voeten aan het diversifiëren van de openbare diensten, ze hebben er lak aan dat jongeren geen werk hebben. Polemiek zaaien rond zaken als Brussel-Halle-Vilvoorde, dat is hun ding. En ze vergiftigen de media ermee, omdat die daarover moeten berichten. Puur tijdverlies is het. Kortzichtig, demagogisch en populistisch: alle middelen zijn goed om toch maar stemmen te ronselen. Sommigen zijn zelfs ronduit immoreel. Zoals Marie Arena. De mensen sterven op straat, er is massale werkloosheid, er is geld te kort in het onderwijs. En dan bestelt de Waalse minister-president een douche van om en bij de zesduizend euro.”
“Iedereen is een minderheid in Brussel. En vanuit die optiek zou er geregeerd moeten worden. Vanuit de optiek dat we allemaal Belgen zijn, maar met onze specificiteit – en die specificiteit moet een kans krijgen. Maar dat gebeurt niet. De mensen willen niet erkennen dat Brussel een stad van minderheden is. Er wordt geregeerd alsof iedereen blank is, en Vlaams of Frans is.”
“Of er minder racisme in Brussel is dan in Vlaanderen, weet ik niet. Maar ik voel me hier wel veiliger dan bijvoorbeeld in Dilbeek. Als je zegt: ‘Waar Vlamingen thuis zijn’, dan zeg je zoveel als: ‘Jij bent niet welkom.’” “Ik heb eens een e-mail gelezen waarin stond geschreven: ‘Alle Turken naar Marokko!’ Dat geeft een goed idee van de mentaliteit die bij veel mensen van de autochtone bevolking heerst tegenover allochtonen. Maar het is niet alleen in de Vlaamse gemeenschap dat er racisme is. In elke gemeenschap is er racisme, bij de Turken, bij de Marokkanen... Mensen die totaal gekant zijn tegen wie met de Belgen wil samenwerken. Ikzelf ben als journalist al dikwijls op de korrel genomen omdat ik vanuit mijn bevoorrechte positie schrijf wat er echt leeft achter hun officiële discours.”
Baudelaire Ons gesprek zit er bijna op. Koksal gaat naar de koelkast, hij haalt er twee flesjes Faro uit en stelt voor ze soldaat te maken aan de Kruidtuin. “De Kruidtuin is mooi, ja. Maar mijn favoriete plek is toch de Grote Markt, in mijn ogen zonder meer de mooiste plek ter wereld. Ik ben al op verschillende plaatsen in het buitenland geweest, maar de Grote Markt is uniek, zoals Baudelaire ooit heeft geschreven. Het gebeurt meer dan eens dat ik ‘s nachts over de Grote Markt wandel, want ik ben een workaholic en ik kan niet langer dan vier uur aan een stuk slapen. Dan is er niemand en ben ik alleen met mezelf, de stad, mijn fototoestel en enkele blaadjes papier om vlug iets op te schrijven. Soms word ik er melancholisch van. Dan krijg ik literaire inspiraties en voel ik me een beetje dichter bij een groot schrijver als Baudelaire... Maar ik blijf toch de kleine Mehmet.”
|