De meerderheid bepaalt, dat geldt ook voor de beeldvorming over de islam. Sjiieten vormen binnen de islam een minderheid van wereldwijd tien procent. De soennieten zijn met 90 procent overweldigend in het voordeel.
Misschien vandaar de neiging, ook bij veel westerse islamologen, om de sjia af te doen als een latere afwijking van de soennitische, ’orthodoxe’ islam. Kritische islamkenners verzetten zich daartegen. Sommige denken dat juist de sjia een oude vorm van de islam heeft bewaard.
Waarschijnlijk speelt bij de miskenning van de sjia mee dat de belangrijkste Europese koloniale mogendheden in hun wingewesten voornamelijk soennitische moslims aantroffen. Dat gold voor de Britten in India, de Nederlanders in Indonesië, de Fransen in Noord- en West-Afrika en de Russen in Centraal-Azië.
De soennitische geloofsbelijdenis luidt: „Er is geen god behalve God en Mohammed is de gezant van God.”
De sjiieten vervolgen: „En Ali is de wali van God.” Wali kan ’voogd’ betekenen. Je krijgt dan zoiets als ’de door God aangewezen voogd.’ Deze toevoeging aan de soennitische belijdenis doet gekunsteld aan. Ze lijkt er aan vastgeplakt. Dat versterkt het imago van een latere afwijking van de soenna.
Ali de Wali was volgens de traditie de schoonzoon van Mohammed. Hij was getrouwd met diens dochter Fatima. Mohammed zou kort voor zijn overlijden Ali hebben aangewezen als zijn opvolger, niet als profeet maar als leider van de jonge moslimgemeenschap. Mohammed zou verder hebben geoordeeld dat toekomstige imams (zo noemen sjiieten de leiders van de moslimgemeenschap, soennieten spreken van kaliefen) moeten afstammen van Ali en Fatima.
De soennieten zijn het daarmee oneens. Als dan de sjiieten aan de geloofsbelijdenis toevoegen dat Ali de ’voogd’ van God is, dan lijkt het er wel wat dik op te liggen.
Maar er is er ook een andere uitleg mogelijk, waarin geen persoon met de naam Ali voorkomt. Daardoor krijgt de sjiitische ’toevoeging’ een andere betekenis.
Bij ’Ali’ kan het taalkundige verschijnsel zijn opgetreden dat een bijvoeglijk naamwoord op den duur in de beleving van mensen veranderde in een eigennaam.
Volgens de Duitse taalkundige Christoph Luxenberg is dat met ’Mohammed’ gebeurd. Mohammed betekent letterlijk ’(intens) geprezen’. De oorspronkelijke betekenis van de geloofsbelijdenis zou volgens Luxenberg niet ’Mohammed is de gezant van God’ zijn geweest maar: ’Geprezen is de gezant van God’.
Luxenberg heeft het niet over Ali. Maar de analogie ligt voor de hand. Ali betekent ’verheven’. Ook Ali kan oorspronkelijk een adjectief zijn geweest, waardoor je niet ’Ali is Gods voogd’ moet lezen, maar ’verheven is Gods voogd’.
De sjiitische geloofsbelijdenis gaat dan niet langer over de vraag, wie de vorst van de moslims moet zijn, maar welke (hoge) status hij geniet. Even aangenomen dat ’Gods voogd’ inderdaad duidt op de imam/kalief, wat sjiieten geloven.
Met die andere interpretatie is tevens de ongelukkige band doorgesneden met apocriefe verhalen over de begintijd van de islam, waartoe ook de geschiedenis van Mohammeds belofte aan Ali behoort.
Of de sjia een zin heeft toegevoegd aan de geloofsbelijdenis valt overigens nog te bezien. Misschien heeft juist de soenna het tweede gedeelte weggelaten.
vervolg van het artikel:
http://www.trouw.nl/deverdieping/religie_filosofie/article609577.ece/Islam-onderzoek_Sjiieten_hebben_oudere_papieren_dan_soennieten?backlink=true